This device is too small to view this website properly

Try to rotate your device

DOCUMENTS     About: Brussels Swings ! A road movie of sounds, Véronique Bergen

About: Brussels Swings ! A road movie of sounds, Véronique Bergen

2017 - Film 60' van Marie-Jo Lafontaine.

Met Brussel swingt vervolgt en vernieuwt de kunstenares haar kritische onderzoek naar de aard van het zichtbare, de kracht van beelden en de veranderingen van de huidige wereld. Om de ademhaling en de talrijke facetten op te vangen van een stad die kort na de aanslagen van 22 maart 2016 werd gefilmd, houdt Marie-Jo Lafontaine zich aan de ethische lijn van de uiterste vrijheid, die als een waarmerk door haar hele oeuvre loopt. Een stad filmen is een werk maken dat een tegelijk conceptuele en sensoriële beschouwing over de stand van zaken in de wereld biedt. Er is niets zo vrij als het gebruik van een camera met de bewegingen van een dierlijk oog: de camera sluipt, kruipt, glijdt, rent, springt op, vliegt, daalt in de schoot van de aarde af en legt de onvermoede gezichten van een hoofdstad bloot die door tragische gebeurtenissen werd geteisterd. Hoe benader je een stad die zich ingraaft, die zijn wonden, zijn collectieve trauma likt, en waarvan de huid is verwoest door eeuwige werven, ja werken die hem openrijten?

De kunstenares bouwt een nieuwe stad met geluiden. Een stad die wordt geboetseerd door muziekvormen uit de vier windstreken, door beelden uit het collectieve onbewuste. Compromisloos, door de zekerheden te ontwrichten, stelt ze de vraag naar het lichaam in de ruimte, naar de emoties die tussen mens en architectuur, tussen mens en muziek worden geweven. Ze is de stad te vlug af door alles wat stroomt, de doorvoerplaatsen, te filmen met een gespannen, zenuwachtige, versplinterde esthetiek. Door haar onophoudelijk variërende ritme brengt ze onze zintuigen in de war, destabiliseert onze verwachtingen, ontregelt de habitus van zien, horen en denken, en ontvoogdt onze reflexen. De toeschouwer is zijn comfort kwijt. Onder de bundel van muziekvormen wordt Brussel een labyrint waarvan Marie-Jo Lafontaine de omwegen, tragedies, gewelddadigheden en verlangens aftast met een krachtig gevoel voor drama.

Om beurten ontmoeten we een snelheidsstad, een kloppend-hartstad, een dierlijke, minerale stad, een Circe-stad, een Proteus-stad die van toestand, stemming, kleur en vorm wisselt. Terloops verheft zich bij een verandering van shot een windstad, een vrouwstad of een tunnelstad.

Brussel, als metamorf personage, wordt waargenomen op de kruising van lichamen in beweging, muziekvormen die er ritme aan geven, en hartkloppingen van het leven. In de vorm van een initiatie, een innerlijke voortgang, tonen de omzwervingen in de duizend-en-één staten van de hoofdstad een stad in wording, open op de toekomst. Er tekenen zich echo’s af tussen Rome, open stad van Rossellini en Brussel, open stad, zelfs als we de betekenis van ‘open stad’ anders invullen. De opening waar het hier om gaat duidt niet langer op de overgave zonder gevecht opdat de vijand de stad zou sparen, maar op het vermogen te veranderen, op gastvrijheid in te zetten.

Marie-Jo Lafontaine doet méér dan filmen, het registreren van sporen, het rangschikken van fragmenten van collectief leven, intieme ervaringen, plaatsen en stemmingen. Ze doet ongekende gezichten ontkiemen van een stad waarbij ze vragen stelt naar de identiteit, mutaties en mentale geografie ervan. Met een buitengewone gulheid en openheid gaat ze op muzikanten af die haar alles geven wat ze aan menselijke ervaringen hebben. Ze vindt een nieuwe biografievorm uit, de biografie van een stad, een intieme, tot fictie gedreven biografie op de kruising van verhaal en topologie van affecten.

Brussel is gefilmd als vrouw, als man, van opstaan tot slapengaan, van ochtendgloren tot avondschemering.

Een panorama van de stad bij dageraad, een stad gevat in een roze hemel, in een rust die contrasteert met het tumult van de nachtelijke stemmingen en aanhoudt in de meditatieve ceremonie van de cello.

Marie-Jo Lafontaine is een onverzadigbaar nieuwsgierige kunstenares die het oor spitst, het oog scherpt, haar waarnemingen wet om in contact te komen met de buitenwereld. Brussel is een stad waarvan ze de fluisteringen, geluiden, ademhaling en hartslag heeft beluisterd, waarvan ze het palet aan kleurschakeringen en de verborgen gelaatstrekken heeft gezocht. De cinematografie voorbij, is deze film de film van een schilderes, een videokunstenares, een muziekliefhebster die haar onderwerp aan het woord laat en – in de fotografische zin van het woord – tot ontwikkeling laat komen. De aandacht voor kleurnuances, lichtverschuivingen, textielglinsteringen, texturen en tropismen onder de mensen is die van een beeldend kunstenares.

Er zijn verschillende manieren om zich door Brussel swingt te laten meeslepen, een film die de toeschouwer de volledige vrijheid van receptie geeft. Je kunt van een wandeling in het geheugen genieten, in de hartkloppingen van een door muziek onthulde stad; gepakt door het fysieke effect van de film, kun je je overgeven aan een mogelijk spel van sporen, een warnet van interpretaties of een op losse schroeven zetten van evidenties. Elke schepping die naam waardig biedt zowel de mogelijkheid van een exoterische als van een esoterische lezing, je kunt het werk benaderen op het niveau waaraan je de voorrang wilt geven.

Roller Bike Parade, Gay Pride, twintig kilometer door Brussel… De feestelijke sfeer, de massabijeenkomsten, de militante of sportieve gebeurtenissen worden vastgelegd in hun absolute spontaniteit – een spontaniteit die deze weerspiegelt van de naar het leven weergegeven muzikanten. Naast de feesten van het nachtleven, de raves, de festivals roept Marie-Jo Lafontaine intieme stemmingen op, meditatieve rituelen, de ingetogen gezichten (het gebed van de cello, zijn weeklachten en elegieën voor hij woest opwelt, de fluisteringen van de accordeon die luistert naar het wegkwijnen van de klank, het kinderkoor, het besloten optreden van de zangeres en de pianist…). Het zweet van de dansers en hardlopers, de magnetische aantrekkingskracht tussen de lichamen, de mateloosheid van een glas- of metaalconstructie, de molotovcocktailenergie van de jeugd… De camera filmt zo nauwgezet mogelijk de lichamen, het stadslandschap, waardoor ze kunnen uitdrukken wat het dagdagelijkse leven knevelt, nivelleert of aan de kant schuift.

We zijn in de dagen na 22 maart 2016, Marie-Jo Lafontaine en haar ploeg trekken door een stad die van haar inwoners is ontdaan, te midden van hijskranen, bovengrondse bouwwerven.

We zijn in het rad van de tijd, in de buik van een stad die weer op adem komt, weer tot leven komt, we zijn in de buik van een veeleer kakelbonte dan wel witte walvis.

De stad wordt als een levend wezen waargenomen, een dierlijk wezen met een meervoudige ziel. Het spelen met snelheid en rallentando, crescendo en stilte gaan hand in hand met een gedurfd en verkennend perspectivisme: Brussel wordt vanuit duizend-en-één hoeken gefilmd, in al haar facetten. Brussel vertoont zich bovengronds, aan boord van een tram, maar ook ondergronds in de souterrains van de metro, ter hoogte van de waterlijn, het grijze water van het kanaal, vanuit de hemel in prachtige luchtshots. Gevat in zijn concrete vormen, zonder opsmuk, zonder vernis, levert Brussel ons ook de krachten die hem aandrijven. Energiekrachten die ontstijgen aan de Congolese rumba, aan de jazz, blues, rock en folkrock, aan de razende elektriciteit van de Keltische punkrock, het knapenkoor, het Lied van Richard Strauss, de rappers, een beatmaker session, de met noise en ambient gekruiste industrial rock, de krijgshaftige orkaan van taikos (een Japanse trom), een creatie voor cello, een compositie voor accordeon, klankinstallaties met trillende sensoren, het Franse chanson…

Muziek is méér dan een kunst, ze is een levensvorm, een inpassen van lichamen in de stadsruimte, een politiek van het bestaan. Marie-Jo Lafontaines camera sluipt de dansende lichamen binnen, maakt net zo goed de betoverende krachten van collectieve jubelmomenten buit als die van de eenzame vlucht, net zo goed de trance die de lichamen van alle leeftijden, middens en nationaliteiten samensmelt als de bezinning bij een terugtrekken in zichzelf. Haar manier om de muziek, de spelers, het publiek op te voeren hangt samen met haar keuze om datgene te vatten wat er in een stad tegenaan gaat, de dynamiek, de intensiteit, het krioelende multiculturalisme ervan. ‘Zonder muziek zou het leven een vergissing zijn,’ schreef Nietzsche in Afgodenschemering. Want de muziek doet meer dan de zeden verzachten: zij bevrijdt ze, maakt ze lichter, neemt vooroordelen en schuttingen weg.

De reis door de muziekvormen, in de geluidsuniversums waar de invloeden worden vermengd, kaatst de reis in de ruimte terug, in een stadsweefsel waar een mix van stijlen, hybridisatie van de architectuur maar ook verwoesting van het erfgoed overheersen.

De muziek heeft soms iets van exorcisme, van een ontlading van elektriciteit, van adrenaline die samengaat met een terugkeer naar de bronnen. De Keltische punkgroep slingert een ‘nee’ naar het gezicht van de wereld, een vloed van triskelions waarin kilts en doedelzakken, Schotse inspiratie en rage folk punk door elkaar wervelen. Teugelloos, woest, in gesloten gelederen grijpen de gitaarriffs het publiek naar de keel. De rock gaat richting guerrilla, de druïdenleer richting pogo. De doedelzakspeler zwaait met zijn instrument, Hydra van Lerna, slingert zijn Schotse melodie te midden van krijgsartillerie. De rauwe keelzang met grunt vocalises brengt de opperhuid van slag; het lage, ruige register steekt scherp af tegen de hoge tonen van de doedelzak.

De film toont niets aan, de film baant zijn weg door een echte, verbeelde, dromerige stad. Brussels by day, Brussels by night… Zijn bestaan overdag heeft niets te maken met zijn nachtelijk bestaan. Juister, wanneer Brussel van zijn levens overdag overgaat naar zijn tig nachtlevens, verandert hij van toestand, fysieke conditie, burgerlijke staat, identiteit, komt terecht in de kegel van zijn gedaanteverwisselingen.

Dagschone… Nachtschone… Als de nacht valt, verandert Brussel, andere stammen staan op en drukken de stempel van hun wereld op de straten, cafés en gebouwen van de stad. Marie-Jo Lafontaine is een djinn die de hoofdstad bevrijdt van zijn valse schijn, remmingen en uiterlijkheden. De camera breekt door het gepolijste oppervlak en duikt in de onbewuste lagen van de stad die ze als speleoloog afstapt. Door veeleer vragen te stellen dan antwoorden te geven, onder de huid te krabben, onder de verstarde beelden en officiële vertogen, borstelt ze een wisselend portret van een stad in wording.

We bewegen ons in de cirkel van uren, de wijzerplaat van de tijdsduur, en gaan van de golflijntjes van het daglicht over naar het neonlicht, de gloed van de lijven van de nachtbrakers. De film bevordert de herleving van herinneringen. De zinsnede van Proust stijgt naar het oppervlak van het geheugen: ‘Iemand die slaapt spant in een cirkel de draad der uren om zich heen, de orde der jaren en werelden’ (De kant van Swann).

Een woud van benen, een symfonie van passen van een gehaaste menigte die door de stad banjert, kuiten van renners, marathonlopers op zoek naar de Graal, stralende vreugde van de muzikanten, hartelijkheid van de menselijke banden, de ontmoetingen, kleuren en ritmes van Afrika die de hoofdstad van zijn stuk halen, een aak die het kanaal afvaart; water, macadam, asfalt, voorbijgangers, treinen, rails, schakelaars, verkeersborden, eeuwige openbare werken, muurschrift van graffiti, een luik dat wordt opgetrokken, fonteinstralen; frescogezichten, door lachen gestreepte gezichten, naar het heden toegekeerde lichamen die het moment smaken, elke seconde een carpe diem; sensualiteit van het cellohout, de choreografie van de strijkstok, de balgen van de accordeon, poëzie van het moment dat voorbijgaat en nooit meer terugkeert; het nu filmen, maar ook het spoor, wat erna komt, het ballet van roze bloemblaadjes die opwaaien na de Gay Pride…

Wanneer de kunstenares de oplichtende blikken van de koorkinderen filmt, de geconcentreerde gezichten van de knapen die in canon zingen, vind je de magie van haar portretfotografie terug (bijvoorbeeld de reeks Le jardin d’enfants/De kindertuin).

De stad komt naar voren als een levend, veranderend organisme dat zich op uitnodiging van Marie-Jo Lafontaine opent als een bloem. De film realiseert concreet de zin van Victor Hugo: ‘Een stad wordt uiteindelijk een persoon.’

De muziekvormen, die een nieuwe waarneming van de stad scheppen, bezielen de lichamen en brengen ze in beweging. Overloopjes tussen de slaginstrumenten, het losbarsten van de trommen en het ritme van het reuzenrad; overeenstemmingen tussen de sopraan, de falsetstem en de luchtigheid van de lichten; echo’s, trillingen tussen de basdreunen, tellurische klanken en het geronk van plaatsen die elkaar opvolgen… De vorm van de klanken tekent, beitelt de vorm van de bouwstijlen en compositievlakken. De grenzen tussen muziek en geluid brokkelen af. Marie-Jo Lafontaine brengt de muziek van de stad naar boven, zijn klankomgeving, het geluid van de auto’s, openbaar vervoer en voorbijgangers, zijn stiltes, zodat alles muziek is. Met uitzondering van het luchtledige, planten akoestische golven zich overal in voort, in de lucht, in het water, in de harten, in de hoofden. Hoewel ze de meest immateriële van de kunsten is, komt de betovering van de muziek voort uit haar lichamelijke, zintuiglijke effecten.

De hemelse tribaal-futuristische muziek van metaal, fluweel, bloed, water, vuur en aarde, de stralende liederen van hoop en opstand, rock van de gebouwen worden, jazz van de geesten worden, zangers die ons een talentoren van Babel bieden… Net als soorten planten smelten soorten muziek samen, worden hybride. Cold wave, industrial rock, noise rock, folk rock, house music, acid jazz… Elk genre heeft zijn derivaten, probeert andere invloeden op zich te enten, probeert zich uit te breiden, het spectrum van toonkleuren te diversifiëren, de codes ja zelfs de wetten van de fysica achter zich te laten. De film ontvouwt zijn kunst van het splitsen en overvloeien van shots. In de kunst is het boeiende de vrucht van het onverwachte, de verrassing, de vuurzee van ideeën en gevoelens waar Marie-Jo Lafontaine in uitblinkt. Je gaat van een ingetogen, bedaarde sfeer over naar een explosie van energie, van de meditatie naar de chaos van de trance, van de streling naar de uppercut, van de doedelzak naar de saxofoon.

Onder het camera-oog van Marie-Jo Lafontaine krijgt het vers van Baudelaire – ‘De vorm van een stad verandert sneller, helaas, dan het hart van een sterveling’ – een flinke draai, alsof de veranderingssnelheid van de stad de veranderingen van de geest van zijn inwoners volgt.

De tocht door de stad is in overeenstemming met het geluid. Zoals niets een klank tegenhoudt of opsluit, zo houdt niets een reizigster van de blik als Marie-Jo Lafontaine tegen. Alle oogkleppen en clichés vervallen, de uitsluitingen en machtsverhoudingen worden terzijde geschoven. Wat blijft is de menselijkheid, de dierlijkheid van stenen, kruispunten en bomen, wat blijft zijn de naamloze levenskrachten van de mensen.

Soms speelt de stad verstoppertje, gaat ervandoor, verbergt zich onder sluiers en gezichtsbedrog, en geeft slechts langzaam, zeg maar met tegenzin, zijn geheime tekens prijs: wat voorbij zijn landschappen ligt, wat niet wordt uitgesproken, wat ondergronds rust. Geduldig, haar oog in hinderlaag, wacht Marie-Jo Lafontaine het verschijnen van de tekens af, creëert een mechanisme waarin Brussel zich doet kennen. Ze filmt de stad die ontwaakt, de stad die in slaap verzinkt, ze convoceert hem in al zijn posities – staand, zittend, liggend –, ze filmt een stad waarvan het lijf met tags is getatoeëerd, verkrampt door kuilen en uithollingen, in de greep van de eeuwige werven.

Na het zien van Brussel swingt zal onze waarneming van de stad nooit meer dezelfde zijn. Uit de verbeelding van de kunstenares is een Janus-stad opgedoemd, de ene helft van het gezicht is gewijd aan de gloed van de dag, de andere helft is omsingeld door de nacht, een Remus-Romulus-stad waarvan elke schepper de wolf, de wolvin is. De shots vertonen de bonte, soms hortende aard van een stadsweefsel tussen chaos en structuur, tussen beton en groene ruimten. In Marie-Jo Lafontaines distilleerkolf wordt Brussel de spiegel van onze verlangens en mogelijkheden, en strekt zich uit als een kat alvorens in een woest licht te springen. Dankzij de magie van een verhaal dat een rijk palet aan tempo’s tentoonspreidt, voel je de Zenne onder de stenen, rails, harten en hoofden stromen, je ontdekt een breakdance-stad, een stad van hip-hop, techno, rap, lyrisme, rumba, koralen, world music, die swingt en de combinatie aangaat met alle culturen uit alle tijden, een stad ‘aan het leven, aan de dood’, zoals één van de artiesten zingt in het Erasmushuis, waar de wind van kosmopolitisme en multiculturalisme aanschuiven aan de tafel van het heden.

De uiterste schoonheid van de passages, de sequenties in zwart-wit, wijzen niet op een gehechtheid aan het verleden of nostalgie. Zelfs als je ze kunt zien als een spel met de tijd, roepen ze nog geen flashbacks of sprongen in het verleden op. Ze duiden op meteorologische stadsvariaties, tempowisselingen, enclaves in de vloed van Chronos. Er is geen estheticisme bij Marie-Jo Lafontaine, maar een esthetiek van de boksbeugel gecombineerd met zachtheid, wellust en zinnelijkheid. Er is geen formele aanpak, maar een viscerale betrokkenheid bij de materialen, thema’s en problemen die ze verkent. Alsof het tijdperk, in zijn crisispunten, breuklijnen, zorgwekkende mutaties en afdwalingen haar aanmaant om te getuigen van de drama’s en metamorfosen, om nooit penseel, fototoestel of camera neer te leggen, maar altijd voorwaarts te gaan. Altijd waakzaam, nooit in rust, schildwacht van een wereld in beroering, kunstenares van het leven in al zijn vormen, riposteert Marie-Jo Lafontaine op de aardschokken van buiten- en binnenwereld met werken van een absolute uniciteit, die alle genres behelzen en alle disciplines overhoop halen. Aangeklampt, opgeëist door het tumult van het heden, bruist elk werk binnen haar veelvormige, complexe, zich voortdurend vernieuwende oeuvre van een gevoel van urgentie en klampt ons op onze beurt aan. Van het ene werk naar het andere leidt Marie-Jo Lafontaine ons ergens anders naartoe. Door de fascinatie die hij uitoefent, geeft Brussel swingt blijk van een steeds weer hernomen vormvernieuwing en snijdt steeds scherper zijn onderwerp aan. Middels de zevende kunst, de kracht van een oog dat reinigt en uitsnijdt, zet de filmmaakster de mogelijkheden van andere disciplines aan het werk, stelt ze op de proef, op zoek naar vluchtlijnen die de media openbreken door ze met elkaar in verbinding te brengen.

Er zijn de makers van mooi weer en van stormen, de makers van klanken en van beelden, de makers van de wereld. De kunst heeft iets van zaaien en oogsten, van de aanvaarding van het leven en de transfiguratie ervan in sensaties. Er ontwikkelt zich een systeem van weerkaatsingen, er wordt een netwerk van spiegelingen opgezet die gelijk opgaat met een esthetiek van de suggestie, van de indirecte visie: weerspiegeling van facetten van de stad in de ramen van trams, een droste-effect van de film in de film, de beatmaker die realiseert wat de film uitvoert: een compositie van klanken (en beelden), een mix van geluidslagen. Onwaarschijnlijke koppelingen uitproberend, tot entingen van klanksporen toe, is de beatmaker, de nieuwe leerling-tovenaar, zich zeer bewust van de wetten van aantrekking en afstoting waardoor klanken en ritmen worden beheerst. Sommige akoestische massa’s mogen zich lenen voor vermengen, versnijden, monteren, koppelen of enten, andere kun je niet combineren. Een kwestie van sentimentele onverenigbaarheid of vijandschap.

De kunstenaar heeft iets van een putdelver die van zijn verkenningen – zijn afdaling in de registers van het menselijk, dierlijk, plantaardig en mineraal bestaan – parfums, trillingen, emoties meebrengt die hij in grafische, plastische, visuele en auditieve scheppingen vertaalt.

De receptoren van de celliste-zangeres metaforiseren de receptoren van Marie-Jo Lafontaine. Als een marionet, bediend door een componist die zich in de schaduw ophoudt, strooit de celliste haar betoveringen uit. Haar strijkstok en haar handen vliegen, en bouwen ruimtelijk klanken die van de Big Bang komen, uit de kosmische diepte van het heelal. In het hemelse, het vervliegende beginnend, interageert haar hypnotische, immateriële, omgebogen stem met de videobeelden, beelden van dans, bos of natuur, gestopt door de strakke blik van een uil. In de glasvezels van de tijdsduur binnendringend, de tijd veranderend in ruimte, choreografeert de akoesmatische muziek de geluidsgolven en verstoort de grenzen tussen de zintuigen.

De dans van de Japanse drums, de dans van de geesten onder het getrommel van de stokken op de gespannen huiden… De taikos richten zich op als zonnen die door een meteorenregen worden gegeseld. Uit koers gebracht door de splitsing van de beelden, worden we meegevoerd in de maalstroom van percussies. De Japanse rit krijgt de allures van een krijgskundige apotheose, van een jacht waarin wíj de prooi zijn. Tegenover de muur van geluiden is er geen enkele uitweg, geen vluchtweg. Wij bieden onszelf als offer aan.

Marie-Jo Lafontaine laat zien hoe de overgang van de ene Brusselse wijk naar de andere een verandering van wereld is. Terloops tuimel je in een sequentie of een shot van een door martialiteit en spiritualiteit gestempelde muziekkunst in de melancholie van de accordeon. In een nachtelijk decor is de accordeonist volledig één met zijn instrument, verandert het in een percussie-instrument, luistert hoe de klanken wegkwijnen alvorens onder zijn vingers te herleven. De schemerkleuren briesen in mineurtonen in de sfeer van een metafysische griezelfilm. Uitgebloeide liefdes, ver van de musettedanstent, leven dat naar zingeving zoekt… De rechtervleugel is stil, maakt plaats voor de linkervleugel. De balgen bewegen niet meer, de melodie met klemtonen die doen denken aan Erik Satie sterft weg in de nacht. Het licht van de straatlantaarns dat de straten van de stad in vuur en vlam zet, biedt een gele Turner, een gele Van Gogh, een gele jazz.

De elektro-plantaardige muziek te midden van vleesetende planten, binnen in broeikassen, gespeeld door muzikanten die eruitzien als boetelingen, gehuld in zwarte toga’s met kap. Spectraal en hypnotisch bij de aanvang vliegt de melodie driftig op in een klankexplosie, in een ritmisch op hol slaan, een elektrische woede die culmineert in een instrumentale trance van pure energie, aan de zoom van de chaos. In een kosmische stortvloed vallen de klankshots als door bliksem getroffen bomen neer. Het slagwerk ontwortelt de wereld die in stukken uiteenspat. Na de apotheose, na de geluidsvervormingen in een door het plantaardige beheerste ruimte, duikt het waterelement op, een schuimlandschap in het kielzog van een aak die het kanaal doorklieft.

Op de rug gezien trilt Brussel op de klanken van industrial rock. In profiel rekt Brussel zijn kanaal uit. In vooraanzicht kantelt Brussel in de tragedie van een Lied van Strauss, waarbij het huwelijk van stem en piano tot het laatste aangrijpend beeld van verdriet en wanhoop is doordrongen, waarna de in een rode jurk gehulde zangeres zich terugtrekt uit de kamer waar aan het plafond een kroonluchter bungelt. Het lot van de muziek? In de stilte te verzinken, naar de blanke klank terug te gaan alvorens opnieuw op te laaien.

De film verwerft de eigenschappen van de klank: de vrije loop laten aan landschappen van hoogte, timbre, duur en intensiteit, boventonen voortbrengen. We maken inderdaad de opkomst van de boventonen van Brussel mee, de vleugels van Brux-elles, Brux-ailes. Elke gespeelde of gehoorde muziek, elke artistieke creatie, elke collectieve gebeurtenis, elke massabijeenkomst geeft blijk van een manier om de stad te bewonen, hem te bevolken, tot leven te brengen, te veranderen. Brussel swingt laat zien dat een stad niets is zonder de wisselwerking met zijn burgers, zonder de interventies van zijn bemiddelaars, zijn acteurs, of ze nu al dan niet menselijk zijn.

Verkeersaders, treinsporen, kruispunten, straatmeubilair, het signatuur van een extreme moderniteit… Door de weg, het kanaal, de tunnels die bij het invallen van de nacht in een blauwachtig licht worden ondergedompeld te filmen, geeft Marie-Jo Lafontaine te verstaan dat de reis en de odyssee net zo belangrijk zijn als de bestemming, dat de middel het doel is.

De roadmovie, de posthomerische tocht van de moderne Odysseussen eindigt met de energie van de jeugd, de broederschap van de rappers die gretig in het leven happen. Uppercuts van de hoop en razernij van de weigering te berusten. De weigering zich te onderwerpen aan alles wat insluit en klautert op de steile berg van het heden. Met de rappers die de dans sluiten is de muziek een vechtsport, een hoekstoot, een lied van liefde en razernij, een wilde band, een reddingsboei. Muziek verandert de wereld, verandert het leven, muziek geneest, redt ons van de verveling, stelt ongelijkheden, onrechtvaardigheden en afzichtelijkheden aan de kaak, ze bedwelmt, ontkoppelt ons van het heden, wekt een andere toekomst op, vermengt esthetiek en politiek, drijft de dood terug, de verschrikkingen ook, ze verbreekt de eentonigheid van een grijze alledaagsheid, de compromissen met het onaanvaardbare, ze zegt ‘nee’ tegen Big Brother, de bloemen van de wanhoop, de onderdrukking of het onduldbare. De rappers slingeren ons één van hun waarheden in het gezicht: ze stopt een zonnediamant in de buik van de existentiële ellende, ze haalt de ‘no future’ onderuit.

Voor de generiek afloopt, begeeft de film zich in een laatste nachtelijke omzwerving, het dronken ballet van auto’s op de grote verkeersaders die ergens anders naartoe leiden, het uitbreken naar het onbekende op een zwoele jazzdeun die over de huid glijdt. End of the journey, end of the night, op een fluweelzachte stem, onder fluweelzachte lichten…

Marie-Jo Lafontaine filmt onze lust te leven, onze innerlijke tango’s, ze verwijdert de muren die in onze hoofden worden opgetrokken, bevrijdt het denken van zijn wachttorens, de prikkeldraad van de macht.